Project

Ecometa: Het bepalen van stikstofverliezen uit de stal

Het verlies van stikstof (N) uit dierlijke mest kan op verschillende manieren worden bepaald. Uit een recente studie van het CBS bleek er op nationaal niveau een verschil te bestaan tussen de verliezen berekent uit de ammoniakemissies en de verliezen berekent uit de aan- en afvoer van mineralen. Dat verschil was het grootst bij vaste mestsoorten en bij systemen voor emissiearme huisvesting.

Ook in andere Europese landen speelt deze kwestie. In opdracht van en in samenwerking met de Universiteit in Aarhus worden in dit onderzoek deze twee methoden om stikstofverliezen in een melkveestal te bepalen met elkaar vergeleken. Dit onderzoek maakt deel uit van het ECOMETA-project dat wordt gefinancierd door het Deens Innovatie Fonds.

Achtergrond

Verliezen van gasvormig N kunnen worden bepaald door de concentratie van ammoniak en lachgas in uitgaande stallucht samen met het ventilatiedebiet te meten. Een andere aanpak is het maken van een N-balans door het bepalen van het N-gehalte van alle inkomende en uitgaande stromen zoals voer, drijfmest en melk. De precisie van die methode kan worden verbeterd door ook niet aangetaste elementen zoals fosfor (P) en kalium (K) te bepalen. Deze balansaanpak kan op verschillende niveaus uitgevoerd worden en is de basis van de kringloopwijzer en het ‘National Emission Model for Agriculture’ (NEMA). In dit onderzoek worden beide methoden toegepast in twee afdelingen voor emissieonderzoek op Dairy Campus.

Wat onderzoeken we?

Balansmeting vs emissiemeting

Het doel van het onderzoek is het vergelijken van twee methoden om de stikstofverliezen te bepalen

  1. Balansmetingen. Het verschil tussen alle inputs en outputs is het verlies van stikstof. Fosfor en Kalium worden daarbij gebruikt als tracers.
  2. Emissiemetingen. De verliezen treden op in de vorm van emissies van ammoniak en lachgas. Door deze emissie te meten is het verlies te bepalen.

Waarom is dit belangrijk?

Stikstofverliezen uit dierlijke mest blijken op basis van het verschil in de stikstof-fosfaatverhouding bij productie door het dier en de afvoer van het bedrijf voor sommige mestsoorten groter te zijn dan op basis van berekeningen via het NEMA-model.

Het verschil is het grootst bij vaste mestsoorten en bij emissiearme huisvestingssystemen. Dat blijkt uit onderzoek van het CBS in opdracht van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM). De meest waarschijnlijke verklaring voor dit verschil in stikstofverlies is onderschatting van de emissiefactoren voor gasvormige verliezen. Bij reguliere huisvesting van rundvee, varkens en pluimvee komt het stikstofverlies op basis van de stikstof/fosfaat -verhouding wel in de buurt van het met emissiefactoren berekende stikstofverlies.

Bij de vaststelling van de excretieforfaits voor stikstof worden de gasvormige verliezen uit de stal en mestopslag afgetrokken van de uitgescheiden stikstof. De gasvormige verliezen vinden plaats in de vorm van ammoniak, stikstofoxide, lachgas en stikstofgas.

Welke activiteiten voeren we uit?

Op 28 en 29 april 2020 zijn de mestputten in de twee proefafdelingen leeggehaald en schoongemaakt en is de proef gestart. Gekozen is voor een opzet met twee afdelingen zodat we metingen in duplo kunnen uitvoeren. In elke afdelingen zijn 16 melkgevende dieren gehuisvest. Het onderzoek eindigt na ca. 12 weken of zodra de mestputten weer vol zijn. Tijdens het onderzoek wordt de opname en samenstelling van ruwvoer en krachtvoer en de melkproductie en -samenstelling bepaald. Aan het eind van de onderzoeksperiode wordt de hoeveelheid en samenstelling van de geproduceerde mest bepaald. Ondertussen wordt continue de emissie van ammoniak en lachgas gemeten.

Wanneer verwachten we resultaten?

De meetresultaten worden verwerkt door de universiteit van Aarhus. De uitkomsten zijn begin volgend jaar beschikbaar.