Hogere opbrengst eerste snede na eggen blijvend grasland

Nieuws

Hogere opbrengst eerste snede na eggen voor doorzaaien grasland

Gepubliceerd op
19 juli 2019

Het eggen van blijvend grasland vorig najaar resulteerde in een 10% hogere opbrengst van de eerste snede in het voorjaar. Dat blijkt uit lopend veldonderzoek. De oorzaak van deze toename wordt nog onderzocht. Het onderzoek naar de doorzaai van blijvend grasland wordt uitgevoerd door Wageningen Livestock Research binnen de PPS ‘Ruwvoerproductie en bodemkwaliteit’.

Hogere opbrengst na eggen

Eggen met de wiedeg begin oktober 2018 gaf in de eerste snede van 2019 een opbrengsttoename van 500 kg drogestof ha-1 (+10%). Deze toename werd niet veroorzaakt door een toename van het aandeel Engels raaigras of van andere ‘goede grassen’. De precieze oorzaak blijft vooralsnog onbekend. In de tweede snede was een dergelijk effect van eggen niet zichtbaar.  

Eggen tegen ruwbeemd

In het doorzaaionderzoek wordt ieder najaar geëgd, om voorafgaande aan het doorzaaien het probleemgras ruwbeemd zoveel mogelijk uit de zode te verwijderen. Naast eggen wordt ook wel of niet gespoten tegen ruwbeemd. Uit een vergelijking van de uitgevoerde behandelingscombinaties blijkt dat bij de behandeling met de afgelopen drie jaar een jaarlijkse eg- en spuitbehandeling (code 2 in onderstaande figuur) de opbrengst van de eerste snede 10% hoger was vergeleken met het controle proefveld zonder enige behandeling (code 1). Bij de behandelingen waar in 2018 zowel geëgd als doorgezaaid werd (code 5 en 6) leek de opbrengst hoger vergeleken met de controle, maar deze verschillen waren onvoldoende betrouwbaar. Er was verder ook geen verschil tussen de behandeling met spuiten, eggen en doorzaaien (code 5) en de behandeling met eggen en doorzaaien zonder bespuiting (code 6). Dit wijst erop dat spuiten in aanvulling op eggen geen toegevoegde waarde had.

Figuur 1: Opbrengst van de eerste snede in 2019 bij verschillende doorzaaibehandelingen, met onder andere wel of niet eggen in het najaar van 2018. Bij behandelingscodes 1, 3 en 4 werd niet geëgd, bij codes 2, 5 en 6 werd wel geëgd. Codes 5 en 6 werden vorig najaar doorgezaaid, codes 1 t/m 4 niet. Bij code 1 (controle) is de afgelopen drie jaar geen enkele behandeling toegepast. Bij code 5 werd vorig najaar gespoten, geëgd en doorgezaaid; bij code 6 werd alleen geëgd en doorgezaaid.
Figuur 1: Opbrengst van de eerste snede in 2019 bij verschillende doorzaaibehandelingen, met onder andere wel of niet eggen in het najaar van 2018. Bij behandelingscodes 1, 3 en 4 werd niet geëgd, bij codes 2, 5 en 6 werd wel geëgd. Codes 5 en 6 werden vorig najaar doorgezaaid, codes 1 t/m 4 niet. Bij code 1 (controle) is de afgelopen drie jaar geen enkele behandeling toegepast. Bij code 5 werd vorig najaar gespoten, geëgd en doorgezaaid; bij code 6 werd alleen geëgd en doorgezaaid.

Doorzaaien tegen botanische verslechtering

In het doorzaai-onderzoek worden sinds het najaar van 2016 ieder jaar verschillende doorzaaibehandelingen uitgevoerd om vast te kunnen stellen of met regelmatige doorzaai het aandeel Engels raaigras in blijvend grasland op peil gehouden kan worden. Het wenkend perspectief is dat daarmee mogelijk de levensduur van grasland verlengd kan worden. Het effect van doorzaaien op het aandeel Engels raaigras was de afgelopen drie jaar wisselend en afhankelijk van weersomstandigheden. Dit jaar wordt voor de vierde en laatste keer doorgezaaid. Daarna kan op basis van alle resultaten een beeld gegeven worden van de effectiviteit van doorzaaien. Het lopende onderzoek wordt uitgevoerd op vijf percelen grasland op en rond Dairy Campus in Leeuwarden. Deze percelen verschillen onderling onder andere in botanische samenstelling, en er worden zes behandelingen vergeleken op in totaal 90 proefveldjes.